Centraal fokbeleid: 
mooi in theorie maar nu de praktijk

Intro

   Uit het Berner Sennen gezondheidsonderzoek van de Vereniging de Berner Sennenhond en de WK Hirschfeldstichting komen duidelijk een aantal pijnpunten van het ras naar voren die op korte termijn aangepakt moeten worden: teveel problemen met ledematen, huidproblemen, gemiddeld bereikte leeftijd is te laag en vruchtbaarheid zou beter kunnen. Dit artikel laat zien dat het verbeteren op een aantal van deze punten niet mogelijk is onder een te sterk regiem van het centraal fokbeleid. Dit met name bij een te strikte beperking van het aantal dekkingen en de leeftijdgrenzen.

   Het centraal fokbeleid komt steeds vaker ter sprake nu de invoeringsdatum (1 juli 2002) dichterbij komt. Het verbreden van de genenpoule is de basisgedachte van het centraal fokbeleid en moet op de lange  termijn leiden tot een gezonder ras. Er zijn weinig fokkers die echt radicaal tegen zijn. Iedereen weet dat een ras veel problemen kan krijgen door een overmatig gebruik van 1 reu die later iets ‘onder de leden’ blijkt te hebben en ook wil niemand oude varkensstallen vol met honden die telkens maar gedekt worden zonder enig beleid. Maar het vastleggen van de grenzen voor het inzetten van de reuen, teven en herhalingscombinaties stuit op heel veel discussie binnen de fokkerij. Discussie is goed maar de nationale en internationale belangen van de Nederlandse kynologie moeten niet vergeten worden. Wat heeft het voor zin om maatregelen in te voeren als daarmee de Nederlandse fokkerij van de kynologische wereldkaart verdwijnt (zie onder meer het artikel van Eef ter Mors (Het centraal fokbeleid, Hondenwereld mei en juni 2001) en het artikel van Hadewich van Wessem (Een verhaal met een staart, Hondenwereld juni 2001).

Nog belangrijker is het om oog te houden voor de toekomstige eigenaren. En dat zijn voornamelijk particulieren ofwel niet-kynologen. De meeste honden gaan gewoon door het leven als full time gezinshond. Gezondheid is voor deze hondenliefhebbers nummer 1. Hoe zal dat de komende jaren gaan?

Gezondheidsonderzoek Berner Sennen

   Iedere fokker heeft in het voorjaar het eerste nummer van de Kennelgazet van de Raad van Beheer ontvangen met daarin een onder andere een verslag van de eindrapportage van de WK Hirschfeld Stichting (WKHS) over het gezondheidsonderzoek van de Berner Sennenhond in samenwerking uigevoerd met de rasvereniging. Van de 1125 aangeschreven Berner Sennen eigenaren reageerden de helft op de gezondheidsenquête. Het grootste probleem binnen het ras blijkt nog steeds de heupdyplasie (HD) en elleboogdysplasie (ED) problematiek. De WKHS geeft als voornaamste aanbeveling om juist dit probleem aan te pakken met de hoogste prioriteit. Het is niet goed als 25% van de honden echt last blijkt te hebben van de ledematen. Natuurlijk is dat gemakkelijk gezegd, maar hoe pak je dat dan aan als rasvereniging of als fokker? Ook daar kun je de resultaten van wetenschappelijk onderzoek voor gebruiken.

Maar eerst: hoe denkt een fokker: we moeten niet vergeten dat de erfelijkheid voor ellebogen slechts 17% is (zie PLOS OFA-studie). Dat wil zeggen dat slechts 17% van de waargenomen variatie kan worden verklaard door genetische verschillen. De rest (83%) is een gevolg van zijn omgeving, denk aan voeding (balans, hoeveelheid, te dikke pup, etc.) en beweging (teveel/te weinig, gladde vloeren, trappen lopen, ruw spelen met andere honden, trekken aan de lijn bij het uitlaten, etc.)

Nu is fokken is een beslissingsprobleem met meerdere attributen en elke beslissingswetenschapper zal je vertellen dat je niet op meer dan één dimensie kunt 'optimaliseren'. De fokker moet afwegingen maken tussen een enorm aantal verschillende fokprioriteiten (kankers, heupen, ellebogen, ogen, DM, hart, verschillende aspecten van uiterlijk, levensduur, temperament, biedbaarheid, enz.). Maar hoe maak je deze afwegingen tussen verschillende en soms tegenstrijdige doelstellingen, omdat we het niet allemaal tegelijkertijd kunnen krijgen?

Veterinaire specialisten hebben de luxe om fokken te beschouwen als een eendimensionaal probleem (bijvoorbeeld ellebogen of heupen), maar de betrokken fokker weet dat fokken om het ras in de breedte te verbeteren niet zo eenvoudig is ... helemaal niet zo eenvoudig! Zoals met alles, moeten we naar de hele hond kijken (wat duidelijk moeilijker is om te doen dan kijken naar geïsoleerde testresultaten of een 1-dimensionaal facet (zoals ED)). Dit deel vanhet artikel is niet bedoeld om te suggereren dat ellebogen er niet toe doen of moeten worden genegeerd, maar eerder dat ze moeten worden bekeken in de bredere context van hoe de fokker noodzakelijke compromissen zal sluiten in een multidimensionaal beslissingsprobleem dat optimalisatie op meer dan één dimensie niet toestaat. Compromis is een essentiële noodzaak in het beslissingsprobleem van de fokker. Waar zal de bredere persoon in een mate naar op zoek zijn die zwaktes in zijn / haar teef zal compenseren en de volgende generatie zal verbeteren zonder verlies van genetische diversiteit?

 

HD en ED problematiek

   Voor zowel HD als ook ED geldt dat ze moeilijk uit een ras te fokken zijn. Zowel erfelijke aanleg alsook het milieu waarin een hond opgroeit hebben beide een deel in het hebben of krijgen van HD en ED. In het erfelijk deel blijkt dan ook nog eens dat er verschillende genen verantwoordelijk zijn voor de vorming van HD en ED (polymere overerving). In dit artikel nemen we alleen even ED als voorbeeld maar HD is analoog aan ED wat betreft overerving en het bestrijden ervan. Elleboog Dysplasie (ED) wordt in de gradaties als volgt weergegeven: ED 0 (vrij), ED I, ED II en ED III (deze laatste is de zwaarste vorm van ED)

   Zoals we op onze Hollandse klompen al konden aanvoelen blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat je gewoon met gezonde dieren moet fokken om echt te kunnen verbeteren. De resultaten van een Scandinavisch onderzoek onder Rottweilers laten zien dat als je met gezonde (ED vrije) ouders fokt de kans op gezonde (ED vrije) pups het grootst is (tabel 1). In dat geval heeft  toch nog 31% van de nakomelingen ED. Paart men een ED vrije hond echter met een hond die in meer of mindere mate last heeft van ED dan hebben  43% (ED 0 x ED 1) of zelfs 48 % (ED 0 x ED 2 of ED3) van de nakomelingen ED. Kruisen van niet ED vrije honden geeft een dramatische 56% van de nakomelingen met ED!


Gradatie

Ouder 1 (bijv. de reu)

Gradatie

Ouder 2 (bijv. de teef)

% Elleboog Dysplasie bij nakomelingen

ED 0

ED 0

31

ED 0

ED I

43

ED 0

ED II of III

48

ED I, II of III

ED I, II of III

56

Tabel 1. Bij Rottweilers blijkt dat hoe slechter de ED gradatie van de ouders de meer nakomelingen ED zullen krijgen (Audell, 1993).



   Natuurlijk zijn deze gegevens ook voor Berner Sennenhonden bekend (tabel 2). Uit een ander onderzoek op 2500 Zweedse Berner Sennen honden en Rottweilers blijkt namelijk dat de percentages redelijk vergelijkbaar zijn met de bovenstaande Rottweiler cijfers. Uit dit onderzoek komen echter nog twee heel belangrijke punten naar voren:

  1. Je kunt alleen echt verbeteren op ED als de ouders ED vrij zijn
  2. Het grootste risico op ED treedt op als van de ouders niets bekend is van ED

Gradatie

Ouder 1

(bijv. de reu)

Gradatie

Ouder 2

(bijv. de teef)

% Elleboog Dysplasie bij nakomelingen van Berner Sennenhonden

% Elleboog Dysplasie bij nakomelingen van Rottweilers

Normaal

Normaal

34

27

Normaal

ED I, II of III

52

47

ED I, II of III

ED I, II of III

58

50

ED onbekend

ED onbekend

60

55

Tabel 2. Men krijgt de grootste ED problemen als men de ouders niet keurt (Audell 1990.)


   Omdat zelfs met ED vrije ouders nog 1 op de drie nakomelingen elleboog dysplasie kan ontwikkelen duurt het enorm lang (vele generaties) om in de gehele populatie te verbeteren. Daarnaast worden natuurlijk ook nog niet ED vrije ouders gebruikt want een hond is meer dan alleen een heup of elleboog gewricht. Noorwegen is al in 1980 begonnen met elleboog screening van Rottweilers en ze zijn in 10 jaar (ongeveer 3 generaties!) van 75 % ED belaste honden naar 48 % gegaan. Een zelfde situatie vinden we in Zweden voor de Berners: daar had 50% van de Berners ED (1981) en dat was 10 jaar later 35%  (Hedhammar, 1991).

Nederlandse situatie

   Uit eerdere onderzoeken blijkt dat in Nederland zo’n 70% van de honden een vorm van ED te hebben. In het WKHS rapport zijn alleen de gevallen gemeld die klinische klachten hadden, dus niet de doormiddel van beoordeling van röntgen foto’s vastgestelde vormen! Slechts 2,2% van de honden uit het onderzoek waren officieel beoordeeld door de WKHS.

   Kijkend naar de vererving van ED bij Berner Sennenhonden moet je dus alleen fokken met ED vrije honden. Maar ook wil je op HD verbeteren.  Op de dekreuenlijst Berner Sennen vereniging van Februari 2001 staan in  totaal 51 reuen (tabel 3). Reuen die HD + of HD++ hebben staan niet op de lijst omdat HD + en HD++  fokuitsluitend zijn. Voor ED zijn tot dus verre geen richtlijnen vanuit de vereniging behalve dan dat de honden sinds kort verplicht geröntgend en beoordeeld moeten zijn op ED (en uiteraard al veel langer op HD). In de tabel is een overzicht gemaakt van de combinaties ED en HD. Zou je willen fokken met als prioriteit de ledenmaten en zou je willen fokken volgens de bevindingen van het wetenschappelijk onderzoek dan zouden 17 reuen van de 51 voldoen aan de criteria. Dit zijn namelijk de  honden die HD A (HD min) of HD B (HD Tc)  hebben en ED vrij zijn. Met een fok prioriteit op gezonde ledematen moet men de reuen die een vorm van ED hebben of niet onderzocht zijn op ED niet inzetten voor het fokken.


 

HD min (A)

HD Tc (B)

HD +/- (C)

ED 0

2 honden

15 honden

4 honden

ED 1

1 honden

5 honden

2 honden

ED 2

 

5 honden

1 honden

ED 3

 

4 honden

0 honden

Niet onderzocht

 

6 honden

6 honden

Tabel 3. Overzicht HD en ED van goedgekeurde Berner Sennenreuen in NL (lijst februari 2001)


Uitgaande van zo’n 2000 pups per jaar met een gemiddelde nestgrootte van 6.5 kom je op zo’n 300 dekkingen per jaar uit. En aannemende dat iedereen met het gouden randje wil fokken is dit het reuen potentieel waar men uit kan putten.

Omdat 30 van de 51 reuen niet voldoen aan de gewenste criteria m.b.t. ED (ze zijn niet ED vrij, zie tabel 2) zal bij een evenredig gebruik van alle reuen   60% van alle nesten verslechteren op ED. Meer dan de helft van ALLE  puppies uit die nesten hebben dan namelijk een vorm van ED! Dit ongeacht de ED score van de teef! Een teef met ED I, II of III MOET gewoon een ED vrije reu gebruiken om niet af te glijden naar nog veel slechtere resultaten (60% ED in de nesten)

Natuurlijk zijn er ook nog reuen buiten de vereniging, in het buitenland en komen er nieuwe reuen bij. Maar uitgaande van de gegevens is dit toch het feitenmateriaal waar we in eerste instantie vanuit moeten gaan.

Wil je verbeteren op gezondheid en vooral ledematen zoals de WKHS sterk adviseert in haar advies aan de rasvereniging dan moet je al snel denken aan 15 dekkingen per reu (17 tot  21 ED en HD vrije reuen voor 300 nesten).

Zonder nu  in discussie te willen gaan over het aantal dekkingen per reu voelt iedereen wel aan dat het sterk limiteren van het aantal dekking per hond juist als gevolg heeft dat ook de met ED belaste reuen gebruikt moeten worden. Ik zou als toekomstig eigenaar van een fijne gezinshond geen puppy uit een nest willen met een kans van meer dan 50% op ED… U wel??

Gemiddelde leeftijd

   Een andere belangrijke conclusie uit het WKHS gezondheidsonderzoek van de Berner Sennen is dat onderzocht moet worden waarom de gemiddelde levensduur van de Berner Sennen slechts rond de 7 jaar ligt. Uit het onderzoek komt dat niet goed naar voren. Het blijkt echter ook uit andere onderzoeken in het buitenland dat de gemiddelde leeftijd rond diezelfde 7 jaar schommelt. Een Amerikaans onderzoek onder 1322 Berners laat zien dat slechts 18 van de 261 Berners die in 2000 stierven, dood waren gegaan op een hoge leeftijd. Van die 261 waren er 128 gestorven aan kanker (waarvan 24 sarcomas en 45 Maligne Histiocytose). De belangrijkste doodsoorzaak uit dit onderzoek is dus ook kanker (www.bmd.org/health/surveyreport.html ).

   Ook hier komt weer de vraag naar boven wat te doen? En helaas is het ook hier weer hetzelfde als met ED en HD: de oorzaken van kanker liggen deels in aanleg en deels in het milieu waar de hond leeft. Momenteel wordt onderzocht of dat bijvoorbeeld m.b.v. DNA technieken iets gezegd kan worden over de erfelijke zijde van kanker. Zolang er echter nog niets van bekend is ligt het voor de hand om oude honden gebruiken. Zij hebben immers laten zien dat ze gezond oud kunnen worden. Door oude honden te gebruiken in de fokkerij krijg je gratis een tweede oplossing cadeau: dat van de fertiliteit. Uit het onderzoek blijkt dat veel Berners fertiliteitproblemen hebben: ze worden al op jongere leeftijd steriel of kunnen hun nest alleen met een keizersnede op de wereld brengen. Een oude hond laat zien dat hij/zij fertiel is en zal dit ook doorgeven aan de volgende generatie. In een recent onderzoek naar de oorzaken van kanker bij mensen blijkt dat de erfelijkheid van kanker op ong. 30% ligt en het milieu (en de pech die je kunt hebben) op 70%: lees het artikel

   Helaas wordt in het centraal fokbeleid een maximum gesteld aan het totaal aantal dekkingen per reu en het totaal aantal nesten per teef. In de praktijk zal het maximum aantal dekkingen of nesten al bereikt zijn op jongere leeftijd. Je moet een hond ook op jonge leeftijd inzetten voor de fok en niet ermee beginnen als hij/zij al oud begint te worden. Wil men een gezonde oude reu gebruiken of wil je een pup van een oudere teef dan zal men dat wel kunnen maar krijg je er misschien geen stamboom bij…

Ook hier moet een discussie plaats vinden over het inzetten van een ouder dier voor de fok waarbij het gezondheidsaspect de boventoon moet hebben.

Hoe verder?

   Veel fokkers zeggen nu al dat je de beste reuen straks alleen nog kunt gebruiken als je zonder stamboom fokt. Fokken met stamboom en een te gering aantal dekkingen per reu kan fokkers aanzetten om anders te gaan handelen. De prijzen van de honden met stamboom zullen komende jaren door het fokbeleid fors gaan stijgen. De fokker moet aan meer regels voldoen om de stamboom met “het gouden randje” te krijgen en wordt gelijktijdig gedwongen om minder met zijn honden te fokken. De stamboomloze honden zullen relatief goedkoop worden voor de consument. Veel fokkers zullen overgaan op het fokken van stamboomloze honden maar fokken zonder stamboom is voor fokkers ook een goede optie voor het (door de Raad niet toegestane) vierde nest van een teef of de zesde dekking van een reu.

   Ook het overgaan op de (niet door de FCI erkende) UCI stamboom hoor je nu al noemen bij de zeer grote fokkers. In Amerika organiseert deze UCI al haar eigen shows zodat mensen naast de registratie ook hun hobby verder kunnen uitbouwen door aan deze shows deel te nemen en hun hond kampioen maken: weliswaar UCI  kampioen maar dat doet er niet toe vindt men. Dat vindt ook de consument die weinig verschil maakt tussen een AKC en een UCI stamboom. De UCI  is in Amerika echter niet erkend door de AKC. Uitwisseling van elkaars honden in de stamboeken kan dan ook niet.  In Duitsland en België zijn ook al van deze vergelijkbare organisaties actief die ook in Nederland voet aan wal proberen te krijgen.

Beide opties (fokken zonder stamboom of registreren in een niet erkend stamboek) ondermijnen de gehele gedachte van verbreding van de genenpoule. Deze honden zijn immers voor goed verloren voor de FCI geregistreerde kynologie. Als dat de trend wordt dan is het inderdaad afgelopen met de Nederlands Kynologie. Veel honden zonder stamboom en een zeer sterke daling van de geregistreerde honden kunnen toch geen doelstellingen van het Centraal Fokbeleid zijn.

Andere visies

   Naar aanleiding van een Amerikaans Berner Sennen gezondheidsonderzoek heeft Dr. Padgett (Michigan State University), een geneticus, een lezing gehouden specifiek gericht op het verbeteren van de gezondheid. Hij pleit voor openheid over de ziekten en afwijkingen van de individuele honden. Juist door te kijken naar goede maar ook slechte, bekende feiten in de familie van de fokdieren (vader/moeder, neven, nichten, broers, zussen, achterneven/nichten) en die te vergelijken met de gemiddelde percentages van die ziektes in het ras kun je uiteindelijk tot verbetering komen.

Dr. Padgett is absoluut tegenstander van het beperken van het gebruik van kampioenshonden in een ras. Hij noemt deze honden “matadoren”.  Hoe meer een hond gebruikt wordt, hoe meer nakomelingen er zijn en des te meer kom je te weten over zijn erfelijk materiaal. Dit is juist goed want dat geeft een beter beeld van zijn echte erfelijk materiaal dan familieonderzoek, dit laatste blijft immers meer bij de kansberekening. Hoe meer zekerheid over de vererving des te beter de beslissing over de juistheid van de combinatie teef en reu. Stel het voorbeeld dat een bepaald ras voor 40% behept is met HD en dat uit familieonderzoek van een Matador blijkt dat hij slechts in 20% van zijn nakomelingen HD laat zien. Dan kiest toch iedere fokker voor én risicovermindering op HD én voor een mooie hond (de Matador). De andere optie: een gemiddelde reu kiezen, met weinig nakomelingen en dus weinig gegevens en dus een gemiddelde doorgifte van 40% op HD…..

Dr. Padgett’s visie staat dan ook lijnrecht tegenover de visie van de Raad van Beheer in zake het fokbeleid. “Het breed houden van het genenbestand (door bijvoorbeeld  het beperken van het aantal dekkingen) leidt op termijn tot een gemiddeld ziektebeeld” aldus Dr. Padgett. In ons voorbeeld zal het dan moeilijk worden om onder de 40% HD te komen, dat is immers gemiddeld in het ras aanwezig is! 

   “Bovendien denkt men dat bastaardhonden supergezond zijn. Maar in de praktijk blijkt dat ook zij zeer veel ziektes hebben. Van bastaardhonden zijn twee keer zoveel verschillende ziektes bekend dan van de Berner Sennen! En de bastaardhonden hebben toch de breedste genenpool!”. Mogelijkheden voor het verbeteren van de gezondheid ziet Dr. Padgett  dan ook veel meer in het opzetten van populatieonderzoeken, daaruit de gemiddelde ziekte-informatie van een ras destilleren, familie onderzoeken uitvoeren en daaruit concluderen welke combinaties uiteindelijk verbeteren. Deze aanpak past ook heel goed bij de fokwaardeschatting zoals die in het buitenland bij sommige rassen al toegepast wordt. Niet alles hoeft dus opnieuw uitgevonden te worden. Maar Dr. Padgett  benadrukt steeds dat dit alleen mogelijk is bij volledige openbaarheid van gegevens over de gezondheid: goede en slechte zaken! Openheid is dus waar het allemaal om gaat om samen naar een betere populatie te groeien. Daar zouden we met zijn allen aan moeten werken!

Een pittige discussie zal zeker nog gevoerd moeten worden. Dit dilemma wordt echter nog niet voldoende onder ogen gezien. Bij de Berner Sennenvereniging heeft men tot nu toe slechts één informatie-avond georganiseerd voor de leden waar Dhr Gubbels e.e.a. heeft toegelicht. Een uitgebreide discussie met de fokkers staat echter nog niet op de agenda. Gezien het belang voor iedereen is dat echter wel essentieel. Hopelijk wordt de gezondheid van een ras op korte termijn niet opgeofferd aan de lange termijn strategie van de Raad: het verbreden van de genenpoule.


Referenties

  1.  Audell L 1990. Incidence of elbow arthrosis in Sweden. Proceedings of the 2nd Meeting of
              the International Elbow Working Group, San Francisco. 

  2. Grondalen J 1979. Arthrosis in the elbow joint of young rapidly growing dogs II. Incidence, clinical and radiographical findings. Nord Vet-Med. 31, 69-75.

  3. Grondalen J, Lingaas F 1991. Arthrosis in the elbow joint of young rapidly growing dogs: A genetic investigation. 32, 460-464.

  4. Guthrie S, Pidduck HG 1990. The heritability of elbow osteochondrosis within a closed canine population. Journal of Small Animal Practice, 31, 93-95.

  5. BMD Club of America, 2000 BMDC health survey, www.bmd.org/health/surveyreport.html

  6. This article is specifically on FCP in Bernese: https://www.ufaw.org.uk/dogs/bernese-mountain-dog-elbow-dysplasia-fmcp

  7. Genetic Background of ED: https://www.vin.com/apputil/content/defaultadv1.aspx?pId=14365&catId=73679&id=7259289&ind=70&obj

  8. Familial clustering and risk analysis for fragmented coronoid process and elbow joint incongruity in Bernese Mountain Dogs in The Netherlands
    https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10490075?dopt=Abstract

  9. Fragmented coronoid process in the dog: is there a role for incongruency?
    https://onlinelibrary.wiley.com/doi/pdf/10.1111/j.1748-5827.2007.00320.x

  10. Fragmented coronoid process in the dog: a heritable disease.
    https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19640749

  11. Review on canine elbow dysplasia: pathogenesis, diagnosis, prevalence and genetic aspects.
    https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18547017

     


Tekst:         Ir. Peter A.M. van Kollenburg  
Fotografie: José de Bresser, The Barking Bunch

Gepubliceerd in het maandblad: "De Hondenwereld", November  2001